Ga naar inhoud. | Ga naar navigatie

Navigation

Persoonlijke hulpmiddelen

Persoonlijke hulpmiddelen
U bent hier: Home / Specifieke thema's / Materiaalgebruik in onderhoud en restauratie
U bent hier: Home / Specifieke thema's / Materiaalgebruik in onderhoud en restauratie

Materiaalgebruik in onderhoud en restauratie

Materiaal 1Traditionele materialen verwerkt in oude gebouwen verouderen doorgaans op een progressieve en homogene wijze. Dit is het gevolg van de geleidelijke veranderingen die ze ondergaan door onderlinge interacties en door contact met de buitenlucht. Die bouwmaterialen (zoals bakstenen van klein formaat, massief hout, olie- of waterverf) en technieken lenen zich bovendien uitstekend tot lokale ingrepen. Bij regelmatig onderhoud en door natuurlijke veroudering krijgen de materialen ook vaak een aangenaam ogend patina.

Materiaal 2De traditionele bouwkunst is het resultaat van een geleidelijk proces waarbij de vakkennis steeds meer verfijnd werd en men zocht naar een zo spaarzaam mogelijk gebruik van de middelen. Doorgaans is er dan ook een logische volgorde in de aftakeling van oude bebouwing. De schade manifesteert zich meestal eerst aan de oppervlakte waar men op vrij eenvoudige wijze herstellingen of vervangingen kan uitvoeren (bijv. van de bepleistering of de beschildering). Wanneer men tijdig ingrijpt, moet ook niet worden geraakt aan de structurele elementen die de stabiliteit en het voortbestaan van het bouwwerk waarborgen.

Bij een goed onderhoud en restauratie moeten de eigenschappen die de vroegere bebouwing tot in de jaren 1970 kenmerkten, behouden blijven: het evenwicht tussen de materialen en de constructieve systemen en het goed ‘nabuurschap‘ tussen de materialen onderling zijn hierbij essentieel. Volgende ingrepen moeten in dit opzicht vermeden worden:

  • het invoegen van grote, onbuigzame elementen (zoals gewapende betonbalken of - skeletten) in flexibele structuren (bijv. traditioneel metselwerk);
  • het vervangen van kalkbepleisteringen en soepele kalkmortels door respectievelijk cementeringen en harde, inerte mortels. Deze laatste kunnen immers de materialen, die ze verondersteld worden te beschermen of te verbinden, aantasten omdat ze geen vochtregulariserende rol spelen en de vervormingen niet opvangen;
  • het gebruik van water- en luchtdichte verven of andere producten op poreuze pleisterlagen. Deze vernietigen het zelfregulariserende vermogen van de traditionele bouwsystemen (evacuatie van vocht, ventilatie, enz.) en veroorzaken aanhechtingsproblemen.

Materiaal 3Oude gebouwen werden volgens een heel andere logica opgetrokken dan de hedendaagse nieuwbouw. Het onderhoud en de restauratie van het erfgoed vragen de toepassing van technieken die de kenmerkende gelaagde systemen, waarin interactieve en complementaire materialen gecombineerd worden (bijv. baksteenmetselwerk / kalkbepleistering / dampdoorlatende verven), eerbiedigen. Systemen die daarentegen op het principe van dissociatie zijn gebaseerd (bijv. dragende elementen / isolatie / ventilatie in de buitenwanden) moeten vermeden worden. De laatste jaren werden hoog technologische restauratieproducten en technieken ontwikkeld die het mogelijk maken zeer gericht in te grijpen met een maximaal behoud van die oorspronkelijke systemen.

Materiaal 4Het erfgoed bezit over het algemeen een eenvoudige, maar doeltreffende constructieve logica. Een efficiënt behoud van de oude bebouwing maakt dan ook optimaal gebruik van de bestaande grondstof. In dit opzicht vormt het erfgoed een voorbeeld van ‘spaarzaamheid‘ voor de volgende generaties.

Document acties